De avonturen van Don Quichotte. Duitsland heeft een lang weekend en daarom is het deze zaterdag in oktober extra druk op de Duitse Autobahn. Misschien hadden we gisteravond toch wat verder door moeten rijden want nu zitten we in 50 km langzaamrijdend en stilstaand verkeer tussen Frankfurt en Nürnberg. Eigenlijk vind ik het ook wel best; ik lig comfortabel achterin de bus terwijl Alco zich suf schakelt achter het stuur. Om de tijd te doden lees ik in de klimgidsjes die ik gisteravond op het laatste moment nog opgehaald heb bij de NBV-bibliotheek. We zijn op weg naar Finale Ligure maar omdat we allebij ook wel zin hebben in een beetje avontuur willen we 'en passant' een lange sportklimroute doen op de Marmolada zuidwand. Alco is lang geleden eens in de Dolomiten geweest en ikzelf heb nog nooit oostelijker als de Piz Bernina geklommen. We weten dus niente van het gebied. De Marmolada zuidwand, zo verneem ik uit de gidsjes, is een absoluut kolossaal bolwerk: 3 km lang, 800 meter hoog. De kwaliteit van het kalk-gesteente variërt maar is op veel plaatsen van de allerbeste Verdon-kwaliteit. Door de wand lopen tientallen routes die allemaal lang zijn. Sommige zijn superklassiek uit de jaren '30 (de Vinatzer), andere zijn een alpiene mijlpaal op zich (de directissima die Reinhold Messner solo opende in 1969) en weer andere zijn 'luchtig sportief'. De Marmolada is één van de wanden waar sinds het eind van de jaren '70 de ontwikkeling van het alpiene sportklimmen in gang gezet werd. Heinz Mariacher,Mannolo en Igor Koller zijn in dit verband de grote helden.
Ach, wat is klimmen toch mooi als je in een gidsje ligt te bladeren. Voor het gemak vergeet ik dat we geen van beiden de wand ooit hebben gezien, dat we bekaf zijn van een week werken en een te korte nacht en dat we eigenlijk geen benul hebben van de weersvoorspelling. Wat maakt het uit; de berg is 'maar' 3200 meter hoog en de route die we willen gaan doen is zo ongeveer de gemakkelijkste van de hele wand: 'Don Quichotte', 28 touwlengtes, een paar zessen, een paar vijfen en veel driëen en vieren. Dat moet toch gemakkelijk te doen zijn! Bovendien is de anstieg niet al te lang en de abstieg een fluitje van een cent. De hele noordflank van de Marmolada is vergletscherd en is door de Italianen omgebouwd tot all-year skigebied. Als we vóór 15.30 u boven zijn kunnen we zelfs de kabelbaan nog naar beneden nemen.
Kortom: de voorbereiding mag er wezen. Als we 's avonds de Brenner overgaan begint het te regenen. Tegen de tijd dat de bus tegen de Sella-pas opbromt trekt het ook nog een helemaal dicht. Zicht van 10 meter en hevige slagregens dwingen tot stapvoets rijden op de smalle wegen. Wanneer we om 11 uur 's avonds aankomen op het parkeerplaatsje vanwaar we de volgende dag de anstieg zouden moeten maken staan we dan ook in dubio: het is inmiddels weliswaar droog, maar het weer lijkt toch niet echt geweldig; hadden we maar een weerbericht. Ook zijn we tamelijk gaar na een dag in de bus en het is niet waarschijnlijk dat een kort nachtje ons weer in topconditie zal brengen. We besluiten echter dat dit alles niet ter zake doet. We willen gewoon omhoog en zoete herinneringen aan voorbije, geslaagde tochten vertroebelen ons helder verstand. We eten en drinken nog wat, pakken alvast onze rugzakjes en nemen ons voor om morgen in ieder geval een stukje anstieg te doen.Om kwart voor zes wordt ik wakker. Het is al licht (de wintertijd is vorige week ingegaan) en na het gebruikelijke, korte moment van aarzeling (heb ik er eigenlijk wel zin in?) staan we op. We eten wat en om half zeven gaan we op pad. Na 20 minuten komen we tot de ontdekking dat we geld en papieren in de bus hebben laten liggen. Terwijl Alco met de rugzakken verder sjokt, spurt ik even op en neer. Vandaag hebben we immers energie genoeg! Het weerbeeld is wat onduidelijk. Wolkenpartijen, variërend van licht tot loodgrijs, wisselen stukken blauwe lucht af.
De anstieg is geweldig. 's Zomers schijnt het hier overlopen te zijn met toeristen maar vandaag zijn we alleen. De wand, die we nog niet zien omdat hij nog in de wolken zit, torent uit boven een paradijselijk valleitje. Alleen al deze wandeling door het Val Ombretta is de reis waard. Omdat we er weinig fiducie in hebben dat er vandaag nog geklommen zal worden (de wolken en zo) genieten we met volle teugen. Bij de uitgestorven hut pauzeren we een kwartiertje. Zowaar, de bewolking breekt open en we krijgen een blik op de wand. Deze blijkt absoluut spectaculair.
Twee-en-een halve Verdon op elkaar in een semi-alpiene setting. Peilers, torens, geulen: als mijn oog over de wand glijdt zie ik meteen al zoveel mogelijke lijnen voor geweldige routes dat ik me kan voorstellen dat Mariacher hier na 25 eerstebeklimmingen nóg niet uitgeklommen is. Opeens wil ik ook per sé klimmen. Als we dan toch onderaan één van de mooiste wanden die ik ooit gezien heb staan, dan zullen we hem doen ook.
een paar lengtes twee en drie door een couloir. De rots lijkt op Freyr en afgezien van de losse rots is het net of we onderaan de Merinos staan. Het is inmiddels 9.30 u. Uit de losse pols becijfer ik: 800 meter klimmen ± 100 meter/uur = 17.30 u. boven. Weliswaar betekent dat, dat we de kabelbaan missen maar een bivakje in het kabelbaanstation kan nooit al te oncomfortabel zijn. Misschien dat we zelfs in het donker wel over de gletscher kunnen afdalen.
De eerste lengtes gaan vrij rap; het is weliswaar geen twee maar meer iets vierigs en er zitten ook geen haken, maar wel vinden we schlingetjes op de relais' en dus zal het wel goed zijn. Na een stukje lopende zekering besluiten we toch maar gewoon te gaan zekeren en al snel blijkt dat verstandig. De route loopt door een scheur van geel-brosse viennetta-rots. Alco is het haasje maar na een kwartiertje van het betere ruk, trek-, scheur- en sleurwerk hoor ik hem 'relais' roepen. Wanneer ik naklim komen de friends me tegemoet rammelen aan het touw. Zitten we eigenlijk wel goed? Don Quichotte is toch meer van het type Genusskletterei in solidem Fels? Nou ja, abseilen aan die wrakke relais' zie ik nu al niet zitten en we besluiten door te gaan. Prompt klim ik een stuk door losse rots rechts van een grote geul. Helaas, dit lijkt niet echt meer op een route; terwijl Alco aan de linkerkant van de geul een soort van relais maakt, ben ik gedwongen om door losse prut af te klimmen. Terwijl ik de rots overal voel bewegen zie ik het touw met een elegante boog de kloof overspannen. Ik probeer me niet voor te stellen wat ik allemaal kan breken als ik nu uitglij maar het beeld van geplette tomaten dringt zich op.
Al dit gestuntel heeft echter ergens toe geleid: we vinden opeens haken en we zien een serie scheuren die op een route lijkt. De lijn lijkt echter dood te lopen onder een gigantisch nat, zwart dak dat een meter of zes uitsteekt. Het is wel duidelijk dat ook dit Don Quichotte nog niet is maar, het is in ieder geval iets. Er volgen een paar geweldige vijf-achtige lengtes. We krijgen er zowaar weer zin in. Wanneer Alco relais maakt onder het dak zien we dat de route verder gaat door een nauw hol waar je doorheen moet kruipen: in kalkgesteente is alles mogelijk. Ik wring me, ernstig gehandicapt door lengte, rugzak en een gebrekkige motoriek, door het vochtige, brokkelige hol en maak relais. Nog een korte lengte en we bevinden ons op de puinband die de hele Marmolade zuidwand in tweeen deelt. Na 75 meter puinrennen aan lopende zekering staan we onderaan de laatste 350 meter. Het gidsje leert ons dat we onderin inderdaad verkeerd geklommen zijn; de inklim van een 'nicht empfehlenswerte' route (vanwege de losse stenen) hebben we gecombineerd met enkele lengtes uit 'Schwalbenschwanz'. Het zal wel; nu staan we in ieder geval onderaan de laatste 14 lengtes van Don Quichotte en de rots ziet eruit als de Verdon. Het is 13.30 u. en het weer is nog steeds wisselvallig. Soms breekt een waterig zonnetje door, soms zitten we in de mist. Af en toe ontwaren we in de verte een andere mega-klassieke superwand: de Civetta Noordwestwand, ziet er eng uit.
Gesteld dat het om een uur of half zeven donker wordt hebben we nog 4 uur voor 14 lengtes; dat moet te doen zijn. De 5+ lengte onderin blijkt mee te vallen en de volgende lengtes zijn min of meer 4. Lekker doorklimmen dus; de route voert over platen met Verdon-achtige structuur. Haken zijn uiterst schaars en omdat er verder vaak ook niet veel te leggen valt zijn de run-outs erg lang. Alco klimt even een stukje langs een alternatieve route op een plaat en ziet zich genoodzaakt tot vijfdegraads schuifelpasjes, een meter of twintig boven een gammele friend.
Ondertussen trekt het weer dicht en gaat het ook wat harder waaien. We moeten nog 5 lengtes, het is een uur of 4. De moeilijkste lengte van route dient zich aan, een solide 6 volgens Mariacher, 6a volgens een andere topo. Ik ben aan de beurt en, goddank, deze lengte is wèl goed behaakt. Wanneer ik me door de wring-en-glibber piaz omhoog wurm krijg ik er zowaar weer lol in: misschien redden we het nog wel tot boven vóórdat het donker is! Terwijl ik onderin de wand de hele tijd één of ander depressief nummer van de Dijk in mijn hoofd had, begin ik nu mee te zingen met Funkadelic: 'Have no fear, like funk is here; doing it to the max!'. Met dank aan Jan-Willem.
We zitten nu in het allerbovenste deel van de wand op een grote pilaar. Links van de pilaar kijken we in een soort horror-schlucht en links daarvan totaal absurd gladde, (meer dan) loodrechte platen. Hier en daar steekt een touwtje uit een zandloper; door dit wandgedeelte loopt kennelijk óók een route.Terwijl Alco klimt merk ik dat het al wat begint te schemeren. Wanneer ik vervolgens mijn touwlengte gedaan heb en we moeten er nog twee begint het eigenlijk al donker te worden. Alco gaat dan ook op zoek naar een bivakplekje. Hoewel de verleiding groot is om het eerste de beste richeltje te nemen klimt hij door tot een smal bandje. Twintig meter onder de top zitten we; nog één korte touwlengte en dan kunnen we abseilen aan de achterkant.
Het is kwart over zes en nu al donker, eerder dan we verwacht hadden. Maar ja, het is immers herfst. Hoewel we dik in de wolken zitten is het nog steeds droog en we maken ons op voor een lang en koud nachtje. We zetten ons vast aan het eerste boorhaken-relais dat we in de route zijn tegen gekomen. Alco nestelt zich in smal geultje tussen een rotsblok en de wand terwijl ik me iets hoger neervlij op een 30 cm breed, puntig, enigszins aflopend bandje. We verdelen het touw om op te gaan zitten en stoppen onze voeten in de rugzakken. Hoewel ik ongetwijfeld kouwe voeten ga krijgen in mijn Nike's en mijn versleten poolbroekje ook niet echt winddicht is heb ik verder genoeg Helly-Hansen, microfiber, fleece en gore-tex aan om warm te blijven, hoop ik.
Bivakkeren kan heel erg leuk zijn. Vooral als er voldoende comfort is, behoort een nacht onder de sterrehemel midden in een giga-wand tot de hoogtepunten van elke Alpiene vakantie. Terwijl de wind echter opsteekt, bedenken we dat dit wel eens een heel erg lang en heel erg oncomfortabel bivak kan gaan worden. In de herfst zijn de nachten immers lang en een mens is er niet specifiek op gebouwd om 12 uur lang ineengedoken op een richeltje zitten. Niettemin, aanvankelijk zien we het wel zitten. Hoewel de wind steeds nadrukkelijker begint te waaien en stormachtige allure krijgt lijkt er weinig reden tot ongerustheid. Morgen klimmen we gewoon die laatste touwlengte, een 4e-graads plaatje en dan seilen we gewoon ab.
De uren verstrijken met bibberen, wegdoezelen en weer wakker schrikken, verzitten om de pijn in mijn lijf te spreiden en korte conversatie met elkaar. Wanneer ik weer eens wakker schrik merk ik dat het is gaan regenen; ook is het een stuk kouder geworden. Me verbazend over het feit dat mijn fleece-broek niet echt nat wordt kijk ik op. Het is aardedonker en het stormt voluit; bij het licht van mijn Petzl zie ik dat ik onder de sneeuw zit. Terwijl ik me snel weer in foetus-houding positioneer (verreweg de ideale positie om enigszins warm te blijven) voel ik een aan paniek grenzende ongerustheid opkomen. Zullen we morgen in staat zijn om de laatste twintig meter te klimmen? Als het graniet was geweest was het geen probleem maar dit is een gladde kalkplaat. We hebben geen haken bij ons, alleen nuts en friends. Wanneer we niet naar boven kunnen, wat moeten we dan? De storm uitzitten of afdalen? Het eerste is een onzekere gok omdat in de herfst slecht weer gerust een week kan aanhouden en ik dat met m'n Nike's en drie handjes rozijnen niet uithoud. Afdalen lijkt echter evenzeer kansloos. 800 meter abseilen met bevroren touwen over een wand die we verder nauwelijks echt goed gezien hebben. In het onderste deel van de wand hebben we een andere route geklommen die we niet kunnen abseilen. Ik zie me al door de mist over de puinband dwalen op zoek naar een wrakke abseil. Onwillekeurig moet ik denken aan het verhaal van de poging door Walter Bonatti en zijn vrienden om als eerste de Freney-peiler te beklimmen. Vlak voordat ze boven waren sloeg het weer om en na twee dagen wachten in de storm gingen ze afdalen; 5 man kwamen door uitputting om het leven.
Ik kom tot de conclusie dat ik een enorme idioot ben. Wanneer je moe en slecht voorbereid een wand ingaat die je niet kent in de herfst terwijl je de weersverwachting niet weet (en reden hebt om te twijfelen aan dat weer) dan vraag je niet alleen om moeilijkheden, dan verdien je ze ook. Ik merk ondertussen dat de sneeuw die in mijn rugzak dwarrelt, daar smelt. Mijn voeten zijn ijskoud en ik begin langdurige stampsessies om er weer gevoel in te krijgen. Het is dik onder nul en het vooruitzicht van frost-bite of andere akelige zaken trekt me in het geheel niet. Ik realiseer me eens te meer hoe eenvoudig het is om jezelf om zeep te helpen in de bergen. Niet noodzakelijkerwijs op een spectaculaire manier maar gewoon, door een opeenstapeling van relatief kleine stommiteiten.
Wanneer het na een lange, koude nacht de ochtend om een uur of zes licht wordt blijkt mijn ongerustheid terecht te zijn. De topwand waarover de uitklim loopt is geheel berijpt, overdekt met een milimeters dikke laag ijs en bepoeiersuikerd met sneeuw. Ons materiaal hangt stijfbevroren aan het relais, de wind giert om ons heen en jaagt wolken over de top. Het slechte weer komt uit de Po-vlakte en dus kan het nog wel een tijdje duren. In mijn pogingen om gevoel in mijn voeten te houden heb ik besloten dat het beter is om mijn natte sokken en schoenen uit te doen. Ik zit dus als een zielig hoopje ellende met mijn blote voeten in mijn fleece-muts, wanhopig wrijvend om mijn tenen te voelen. Gek genoeg vindt ik het nog wel komisch ook: sportclimber meets the real world.
Terwijl ik met mijn voeten bezig ben en me bezig houdt met nutteloze overdenkingen besluit Alco dat het tijd is voor geen woorden maar daden. Het duurt even tot het tot me doordringt dat hij inderdaad van plan is te gaan klimmen, maar ja, we hebben ook niet veel keus. Beladen met verijsde friends en mamba's glibbert hij op weg. Snel gaat het niet want na elke pas moet hij zijn vingers weer opwarmen. Ware het droog dan was het een fluitje van een cent, nu zijn deze twintig meter moeilijker dan alles wat we ooit geklommen hebben. Alco goochelt wat met friends, met pasjes naar links en rechts en belandt na 8 meter zowaar bij een haak. Helaas zit die haak er niet voor niets: 4 meter hoger zit een buikje waar hij overheen moet. Gewoon de voet hoog bijzetten op een redelijke tree terwijl je niets voor je handen hebt. Alleen, er ligt ijs op de tree, de handen zijn gevoelloos en de storm buldert; kortom: no fun.
Van onderen zie ik alleen gebibber en geschuifel; ik prevel vrome wensen dat hij boven moge komen en verbaas me over Alco die nooit traint en toch gewoon doodleuk doorknokt. Opeens hoor ik een kreet en zie ik Alco, head-first, op me af komen. Hij is uitgeglibberd en met 10 meter val staat hij zo ongeveer naast me op het relais. Zijn arm ligt open en uit een vleeswond in z'n handpalm stroomt bloed. Hier worden we niet blij van; Don Quichotte heeft ons, zogezegd, stevig bij de ballen. Ik ben ervan overtuigd dat hier omhoog niet wil; misschien kunnen we het straks verder rechts proberen. Eerst maar even het resterende materiaal uit de route halen.
Ook Alco is duidelijk opgelucht als hij boven komt. Ik zeker hem terwijl hij op het top-plateau op zoek gaat naar de abseilstelle. Ik maak me plotseling weer ernstig zorgen over m'n gevoelloze voeten; met m'n blote voeten in m'n ninja's in de sneeuwstorm zie ik er vermoedelijk tamelijk meelijwekkend uit. Ik trek de strakke slofjes uit en doe m'n drijfnatte sokken en sportschoenen aan. Ondertussen schop ik uit alle macht in de lucht en zowaar, het helpt: m'n tenen voelen iets minder dood. Alco heeft inmiddels de abseil gevonden: twee glanzende boorhaken. Ik heb mezelf er inmiddels op ingesteld dat we er nog lang niet zijn en dat vermoedelijk alles tijdens de afdaling nog ernstig tegen zal vallen. Dit valt echter mee. Terwijl ik een beetje rondglibber op m'n schoentjes gaat Alco al naar beneden. Hij verdwijnt in de mist; boven op de top jakkert de wind rond m'n kop. 's Zomers moet dit een gezellig plekje zijn, met in het noorden een drukke skipiste en tientallen klimmers in de zuidwand; nu is het een onherbergzaam oord.
Ik seil ab, glibberend met m'n nike's tegen de verijsde rots en beland naast Alco in een besneeuwd colletje. Gelukkig blijft het touw niet vastzitten als we het doorhalen en we vinden een tweede abseilstelle. Afdalend over een steile sneeuwhelling belanden we bijna in de apere bergschrund. Aan het eind van het touw gekomen blijken we ergens op de gletscher te staan. Midden in de mist is van een skipiste geen spoor. Wanneer we de hoogtelijnen volgen vinden we echter al gauw de bevrijdende skipiste. Nu pas durf ik het gevoel van opluchting echt toe te laten. De skipiste blijkt uitgestorven en omdat het zo mistig is dolen we nog een uur op de gletscher op zoek naar de juiste afdaling. Voor Alco, die erg veel last van zijn enkel blijkt te hebben begint de ellende nu pas echt. Omdat ik echter geen enkel risico wil nemen lopen we geruime tijd heen en weer op zoek naar de meest relaxte afdaling. Uiteindelijk kunnen we de normaalweg niet vinden en besluiten we gewoon de skipiste naar beneden te rennen. Onderin blijkt het nog een hele toer om van de apere gletschertong af te komen op Nikes. Gelukkig zijn we in Italië en ligt de gletscher bezaaid met rotzooi. Ik voorzie mezelf van een ijzeren staaf die ik als pickel gebruik terwijl ik, zittend op m'n achterste, het ijs afschuifel. Alco is technischer en fabriceert ter plekke een compleet stijgijzer van ijzerdraad. De laatste meters seilen we ab aan de pyloon van een skilift die de Italianen met veel gevoel voor natuurschoon midden op de gletscher gepland hebben. De rest is easy voor mij en afzien voor Alco: z'n enkel ziet er niet goed uit en zijn hand en onderarm liggen radicaal open. Wanneer we om een uur of 3 's middags weer bij de bus aankomen zijn we toch behoorlijk moe. Het begint weer te regenen en we besluiten meteen maar weg te gaan. 's Avonds strijken we neer op een camping met hete douches. De volgende dag doorkruisen we Italië op weg naar Finale; onderweg maken al weer plannen voor nieuwe Marmolada-avonturen.
|
||||||||